Milieunormen onder vuur. De vaststelling van (bepaalde) milieunormen MER-plichtig?

Op nationaal, Europees en internationaal vlak worden heel wat maatregelen genomen om energiewinning uit windkracht te promoten. Deze maatregelen stuiten vaak op verzet. Ook het besluit van de Waalse Regering van 13 februari 2014 “houdende sectorale voorwaarden voor windmolenparken met een totaalvermogen van 0.5 MW of meer” werd aangevochten bij de Raad van State, die op zijn beurt een prejudiciële vraag stelde aan het Europese Hof van Justitie.

Feiten

De Waalse Regering stelde op 21 februari 2013 een referentiekader vast met aanbevelingen m.b.t. de bouw van windturbines in het Waals Gewest. Daarnaast werd er een referentiekaart opgemaakt, waarvoor een milieueffectenrapport werd opgesteld. Tevens werd een openbaar onderzoek georganiseerd.  Geen van beide initiatieven leidde echter tot juridisch bindende regelgeving.

Op 13 februari 2014 stelde de Waalse Regering een nieuw besluit vast, dat o.m. de volgende elementen regelde: de exploitatie van windmolens, het geluid, de periodieke slagschaduw, het toegestane magneetveld, etc.

Tegen dit besluit werd beroep ingesteld bij de Raad van State. De verzoekers stellen dat het besluit strijdig is met de Europese richtlijn 2001/42 betreffende de beoordeling van de gevolgen voor het milieu van bepaalde plannen en programma’s (hierna: plan-MER-richtlijn). Het besluit werd immers vastgesteld zonder enige voorafgaande inspraakprocedure of milieueffectenbeoordeling.

Prejudiciële vraag

De Raad van State wenste te vernemen of het besluit van 13 februari 2014, dat bepalingen bevat voor de bouw en de exploitatie van windmolenparken, moet worden opgevat als een ‘plan of een programma’ in de zin van artikel 2, a) van de plan-MER-richtlijn.

De vraag of het bestreden besluit al dan niet kan worden gekwalificeerd als een plan of programma is van belang, aangezien artikel 3.2, a) van de plan-MER-richtlijn voorschrijft dat een milieubeoordeling moet worden gemaakt voor alle plannen en programma’s die voorbereid worden met betrekking tot energie.

Beoordeling door het Hof van Justitie (arrest C-290/15, 27 oktober 2016)

Het Hof van Justitie oordeelt dat het besluit van 13 februari 2014 onder de definitie van ‘plan of programma’ valt, zoals bedoeld in de plan-MER-richtlijn.

Het Hof stelt dat het begrip “plannen en programma’s” betrekking heeft op elke handeling die, door vaststelling van de op de betrokken sector toepasselijke regels en controleprocedures, een heel pakket criteria en modaliteiten vaststelt voor de goedkeuring en de uitvoering van één of meerdere projecten die aanzienlijke gevolgen voor het milieu kunnen hebben.

Volgens het Hof is het belang en de reikwijdte van de normen uit het bestreden besluit voldoende groot en hebben de normen een impact op de voorwaarden waaronder toekomstige concrete projecten voor de bouw en de exploitatie van windmolenparken kunnen worden vergund.

Het Hof benadrukt doorheen zijn redenering ook sterk de doelstelling van de MER-richtlijn, nl. het voorzien in een hoog milieubeschermingsniveau en het bijdragen tot de integratie van milieuoverwegingen in de voorbereiding en de vaststelling van plannen en programma’s (artikel 1 plan-MER-richtlijn). Eventuele ontwijkingsstrategieën moeten worden vermeden.

Het besluit van de Waalse Regering van 13 februari 2014 zal dus hoogstwaarschijnlijk worden vernietigd door de Raad van State.

Gevolgen

Dit arrest heeft belangrijke gevolgen, ook in Vlaanderen. Sectorale normen voor windturbines lijken immers niet meer uitgevaardigd te kunnen worden zonder vooraf een milieueffectenrapport te hebben opgemaakt.  Een voorafgaande milieubeoordeling met inspraak van het publiek staat centraal.

De gevolgen strekken zich verder uit dan de sector van de windturbines. Er bestaan ook in andere sectoren immers vele milieunormen waarvoor, sinds de inwerkingtreding van de plan-MER-richtlijn, nooit een milieueffectenrapport werd opgesteld. Bijgevolg zou de wettigheid ervan in vraag kunnen worden gesteld en valt te verwachten dat partijen zich in een gerechtelijke procedure zullen beroepen op artikel 159 van de Grondwet om deze onwettige normen buiten toepassing te laten.

Zolang er geen milieueffectenrapport wordt opgesteld voor de betrokken milieunormen, blijft er een toestand van rechtsonzekerheid bestaan.

 

Voor vragen kan u contact opnemen met Joris De Pauw of Jan Roggen

jorisdepauw@adhemar-advocaten.be
janroggen@adhemar-advocaten.be

Leave a comment