Onteigening in de 21e eeuw: het Vlaams Onteigeningsdecreet: een overzicht

Recent zijn het nieuwe Onteigeningsdecreet (decreet van 24 februari 2017 betreffende de onteigening voor het algemeen nut) en het Onteigeningsbesluit (besluit van de Vlaamse Regering van 27 oktober 2017 tot uitvoering van het Vlaams onteigeningsecreet van 24 februari 2017) in werking getreden.

Het nieuwe Onteigeningsdecreet actualiseert de onteigeningsprocedure en beoogt te voorzien in een eenvormige, snelle en efficiënte onteigeningsprocedure.

De federale onteigeningswetten zijn hierdoor niet langer van toepassing op onteigeningen binnen het Vlaamse Gewest, met uitzondering van de onteigening door de federale overheid of door de federale overheid gemachtigde instellingen die op federale bevoegdheden betrekking hebben.

De voorwaarden voor onteigening worden decretaal vastgelegd. Het Onteigeningsdecreet verwijst hierbij expliciet naar artikel 16 GW en artikel 1 van het eerste Protocol bij het EVRM. Onteigening is slechts mogelijk voor zover daartoe een uitdrukkelijke wettelijke of decretale rechtsgrond is voorzien, er sprake is van een onteigeningsnoodzaak, de onteigeningsprocedure wordt gevolgd en voorzien wordt in een billijke en voorafgaandelijke schadevergoeding.

Ook de instanties die bevoegd zijn om tot onteigening over te gaan, worden in het onteigeningsdecreet zelf opgelijst.

Het verschil tussen de gewone, de dringende en de hoogdringende onteigeningsprocedure wordt afgeschaft. Voortaan voorziet het onteigeningsdecreet in één enkele procedure waarbij een evenwicht wordt nagestreefd tussen een efficiënte procedure en de te vervullen waarborgen ten aanzien van de onteigende(n). Deze procedure is opgedeeld in een bestuurlijke fase en in een gerechtelijke fase. Het onteigeningsdecreet voorziet voortaan ook in de mogelijkheid om een zakelijk recht dat op een goed rust afzonderlijk te onteigenen.

In de bestuurlijke fase wordt steeds voorzien in de verplichting om een openbaar onderzoek te voeren waarbij de burgers in kennis worden gesteld van de voorgenomen onteigening. Ook de onderhandelingsplicht van de onteigenende instantie werd uitdrukkelijk decretaal geregeld en nader omschreven. Tevens heeft de decreetgever een kader voor zelfrealisatie gecreëerd. De procedure geeft duidelijk aan hoe en binnen welk tijdspad het verzoek tot zelfrealisatie ingediend dient te worden.

De gerechtelijke fase wordt gekenmerkt door een strak tijdskader zodat de eigendomsoverdracht sneller kan plaatsvinden, mits eerbiediging van de grondwettelijke vereiste van de voorafgaande en billijke schadevergoeding. De vrederechter onderzoekt de wettigheid van de onteigening en stelt vervolgens – indien de onteigening wettig wordt bevonden – een deskundige aan om de provisionele onteigeningsvergoeding te bepalen. Middels het vonnis waarbij de provisionele vergoeding wordt bepaald, vindt ook de eigendomsoverdracht plaats. Tot slot bepaalt de vrederechter de definitieve onteigeningsvergoeding.

Tot slot worden ook nadere regels bepaald omtrent het recht van wederoverdracht en de gedwongen overname van het resterende gedeelte bij een gedeeltelijke onteigening.

De praktijk zal moeten uitwijzen of deze modernisering werkelijk een versnelling en vereenvoudiging van de onteigeningsprocedures met zich meebrengt.

Indien u vragen hebt over het nieuwe Onteigeningsdecreet, dan kan u contact opnemen met Jannick Poets, Jan Roggen of Joris De Pauw.

JannickPoets@adhemar-advocaten.be
JanRoggen@adhemar-advocaten.be
JorisDePauw@adhemar-advocaten.be

Leave a comment