Vanaf 1 maart 2018 naar een snellere en efficiëntere handhaving in de ruimtelijke ordening

Op 9 februari 2018 keurde de Vlaamse Regering het Handhavingsbesluit Ruimtelijke Ordening definitief goed. Dit besluit bepaalt onder meer dat het Handhavingsdecreet inzake de omgevingsvergunning van 25 april 2014 op 1 maart 2018 in werking treedt. Dit heeft als gevolg dat er vanaf dan ook een heel nieuw sanctieapparaat van kracht wordt. De oude titel VI van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening wordt volledig vervangen.

Adhemar Advocaten licht deze nieuwe sanctiemogelijkheden hieronder graag voor u toe.

Vandaag de dag wordt de handhaving inzake ruimtelijke ordening geregeld in titel VI van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (VCRO). Hier wordt sterk de nadruk gelegd op de harde gerechtelijke handhaving, waarbij bouwmisdrijven met tussenkomst van het openbaar ministerie door de strafrechtbanken worden behandeld. In de realiteit heeft dit tot gevolg dat de handhaving erg traag verloopt en dat er vele zaken worden geseponeerd.

Een van de speerpunten van het nieuwe Handhavingsdecreet is dan ook dat men, naast het strafrechtelijke contentieux, meer mechanismen invoert om tot een snellere en efficiëntere bestraffing te komen.

Er wordt in de eerste plaats niet meer automatisch uitgegaan van een strafrechtelijke bestraffing. Zo werd er bijvoorbeeld een nieuw systeem van exclusieve en alternatieve geldboetes uitgewerkt.

Stedenbouwkundige misdrijven (opgesomd in het nieuwe artikel 6.2.1 VCRO) kunnen door het openbaar ministerie uit handen worden gegeven en worden bestraft met een alternatieve bestuurlijke geldboete. Dit betekent dat de procureur beslist om het misdrijf niet meer strafrechtelijk te vervolgen, maar dat er enkel een geldboete noodzakelijk is. Stedenbouwkundige inbreuken (opgesomd in het nieuwe artikel 6.2.2 VCRO) daarentegen hoeven niet aan de controle van de procureur te worden onderworpen en kunnen worden bestraft met een exclusieve bestuurlijke geldboete.

De geldboete wordt afgestemd op de ernst van het stedenbouwkundige misdrijf of de stedenbouwkundige inbreuk. Er wordt ook rekening gehouden met de frequentie en de omstandigheden waarin de overtreder stedenbouwkundige inbreuken of misdrijven heeft gepleegd.

Wanneer onmiskenbaar vaststaat dat er een stedenbouwkundige inbreuk of een misdrijf werd gepleegd, kan men ook onmiddellijk aan de overtreder een voorstel tot betaling van een geldsom doen, die dan binnen de drie maanden moet worden betaald.

Daarnaast maakt het nieuwe decreet ook bestuurlijke herstelmaatregelen mogelijk. Zo kan de stedenbouwkundig inspecteur of de burgemeester beslissen om bestuursdwang of last onder dwangsom toe te passen. Dit betekent dat de overtreder ertoe kan verplicht worden om:

  • Een meerwaarde te betalen, indien de goede ruimtelijke ordening niet werd aangetast
  • Bouw-of aanpassingswerken uit te voeren
  • De plaats weer te herstellen in de oorspronkelijke toestand

 

Bij een last onder dwangsom kunnen er bij herstelmaatregelen ook dwangsommen worden opgelegd, zodat de overtreder sneller zou overgaan tot herstel van de situatie. Het betalen van een meerwaarde kan logischerwijze nooit gepaard gaan met een dwangsom.

Niet alleen bestraffing, maar ook preventie krijgt een plaats in het nieuwe decreet. Zo kunnen de verbalisanten, wanneer er een stedenbouwkundig misdrijf of een stedenbouwkundige inbreuk dreigt te worden gepleegd, alle raadgevingen geven om dit te voorkomen. Indien de inbreuk of het misdrijf toch wordt gepleegd, kan er een (bij voorkeur schriftelijke) aanmaning volgen om de inbreuk of het misdrijf te beëindigen of om de gevolgen ervan ongedaan te maken.

Ten slotte blijft ook de minnelijke schikking mogelijk. Een belangrijke opmerking hierbij is dat een minnelijke schikking de strafvordering onverlet laat en enkel gevolgen heeft op burgerlijk vlak. Er zal met andere woorden ook een aparte ‘strafrechtelijke’ minnelijke schikking moeten worden voorgesteld door de procureur.

***

Het nieuwe Handhavingsdecreet treedt ingevolge de goedkeuring van het Handhavingsbesluit in werking op 1 maart 2018.

De praktijk zal moeten uitwijzen of deze nieuwe bestraffingsmodaliteiten ook effectief tot een snellere en meer effectieve bestraffing van stedenbouwkundige inbreuken en misdrijven kunnen leiden.

Voor vragen kan u contact opnemen met Joris De Pauw of Elke Paenhuysen:

jorisdepauw@adhemar-advocaten.be
elkepaenhuysen@adhemar-advocaten.be

Leave a comment